Column

Veertig dagen

door Gerard Knol

Zojuist hebben wij – ik schrijf dit op zondag 24 januari – gelezen over Jezus die in de synagoge leest uit de profetie van Jesaja:
De Geest van de Heer rust op mij,
want hij heeft mij gezalfd.
Om aan de armen het goed nieuws te brengen
heeft hij mij gezonden,
om aan gevangen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun gezicht,
om onderdrukten hun vrijheid te geven,
om een genadejaar van de Heer uit te roepen.

Deze lezing is terug te vinden in Jesaja 61,1-2 en ook, voor een deel, in Jesaja 58,6. In dat laatste gedeelte wordt verwezen naar het vasten dat de Heer voor ogen staat: misdadige ketenen losmaken, de banden van het juk ontbinden, de verdrukten bevrijden en ieder juk breken. En verder: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om medemensen. En zo gaat het nog even door.

De lezing van Jesaja, zoals het wordt verteld in het evangelie naar Lucas, volgt op de beproeving in de woestijn. En doorlopend wordt verteld: vervuld van de heilige Geest, geleid door de Geest, gesterkt door de Geest. Het is de Geest van God die Jezus’ leven bepaalt.

Deze invloed – om het maar even zo te noemen – voorkomt dat zijn leven draait om eigenbelang en zelfverwerkelijking. Jezus staat voor de Geest. Hij kijkt met de ogen van God. Die manier van kijken zet de wereld op zijn kop. God ziet de wereld van de vluchteling eerst en meet daaraan onze wereld af. Rijkdom is niet wat jij voor jezelf hebt verworven, maar wat je de ander hebt gegeven.

Steeds duidelijker wordt zichtbaar hoe bang wij, westerlingen, zijn om onze verworvenheden te verliezen. Steeds duidelijker projecteren wij onze angst op de ‘ongewenste ander’. Die ‘ongewenste ander’ vormt de kernbedreiging van onze veilige wereld. Merkwaardig, eigenlijk. Het zijn namelijk dezelfde mechanismen die ons onze rijkdom geven als die haar in gevaar brengen. Onze onmacht om een rechtvaardige wereld te scheppen projecteren wij op hen die er het meest nadrukkelijk het slachtoffer van zijn. Hoe blind kunnen wij zijn?

De Geest van God laat ons zien dat wij andersom moeten denken: wij moeten herstellen wat gekwetst is. Dat wil niet zeggen dat wij idealistisch moeten denken. Het wil niet zeggen dat wij alles kunnen – ook niet alles wat zou moeten. Het wil zeggen dat wij moeten doen wat wij kunnen. De eerste stap daarvoor is dat wij bereid zijn om te zien wat de Geest ons laat zien, niet wat ons angsten ons voorspiegelen.