Het heelal

Door Gerard Knol              

Welgemoed stap ik met onze dochter het universiteitsmuseum binnen.
Ze had me uitgenodigd om een dag met haar op stap te gaan.
Leuk.
Ik kon kiezen tussen het Groninger Museum en dit.
Ze weet wat me bezig houdt.
Dit dus: een expositie over het heelal.
We raken beide onder de indruk van de wonderbaarlijke landschappen die in het universum te vinden zijn, zichtbaar gemaakt door diverse ruimtetelescooplenzen.
Een eerstejaarsstudent natuurkunde geeft commentaar bij een projectie van het universum tegen een soort opblaasbare hemelkoepel. Het verhaal is mooi, maar enkele vragen die wij stellen zijn moeilijk te beantwoorden. We weten er veel en tegelijkertijd nog o zo weinig van.
Na nog wat rondgekeken te hebben, zijn wij beide diep onder de indruk.
Onze reactie is echter verschillend. Ik heb het gevoel dichter bij het geheim te staan, terwijl onze dochter zoiets heeft van: “Het is zo groot en zo ver van mijn bed – laat maar.”
Ik zeg het niet zo snel, en misschien klinkt het ook wel goedkoop, maar: zo gaat het ook met God.
De één verliest zich erin om zichzelf in het onnoembare en immense te hervinden, terwijl de ander weigert zichzelf te verliezen en daardoor de werkelijkheid verkleint tot datgene wat behapbaar, kenbaar en bruikbaar is.
Sommige gelovigen zinken misschien wat al te gauw weg in God, om daarin volledig te verdwijnen, terwijl anderen het allemaal graag wat concreter houden. Beide houdingen zijn in hun eenzijdigheid te extreem. Holisme en mystiek lijken te ontkennen dat we concreter kunnen en moeten zijn, terwijl enkel het concrete al snel plat en banaal wordt.
Hoe houden we het spreken over God toegankelijk zonder te vervallen in banaliteiten. Hoe doen we recht aan de mystiek van het bestaan (niet alleen van God overigens) zonder onnavolgbaar te worden.
Als we alles simpel en concreet houden, dienen we de schijn dat we het begrijpen, terwijl dat in feite niet zo is of slechts in beperkte mate. Als we alles in zijn complexiteit proberen recht te doen, snapt niemand er meer iets van en haakt men af. Dit is volgens mij het kerndilemma van het spreken van de kerk. Preken is het uitvoeren van een spagaat.

Willen begrijpen is een poging doen om ergens grip op te krijgen en er macht over te hebben. Niet willen begrijpen, zoals sommige gelovigen voorstellen, is dom. Leren bestaat in een consequent open staan voor het onbegrijpelijke. Weten bestaat in het belichten van bepaalde kanten. Soms hebben we het overweldigende gevoel werkelijk iets te begrijpen, maar het is zelden in simpele bewoordingen te vatten. We hebben het hier over niet-alledaagse zaken. De meeste zaken blijken niet-alledaags te zijn.
Als wij kritiekloos onze macht uitoefenen over de (concrete) dingen, zullen we ontdekken dat ze zich altijd ergens, op enig moment tegen ons keren, dat ze hun zin verliezen. Het gelovige spreken vanuit het besef van God als geheim moet ons ertoe inspireren om door het ‘dingmatige’ karakter van de werkelijkheid heen te kijken vanuit de vraag: wie heeft dit alles bedacht? Wij in ieder geval niet. Wat wij zelf bedacht hebben ontsnapt vaak al aan onze grip.
Ons bestaan is opgenomen in een groter mysterie dat soms door het alledaagse heen schijnt. Het is onze taak ons te oefenen in dit ruimere verstaan dat nooit ophoudt zich te verruimen. Geloven is niet naïef vasthouden aan gelovige beeldvorming (omdat die begrijpelijk zou zijn), maar leven vanuit het besef dat het laatste niet door ons gezegd kan worden, omdat het zich onttrekt aan ons begrip.