Tuin

Door Gerard Knol              

Een gedicht dat me telkens weer raakt:

 

Tuin

Achter het oog gezeten, opengezet
op alles wat al gebeurd is, de bliksem
waarmee de wimper het boek dichtslaat

hoor hoe de roodstaart onzichtbaar
zich in de bruidssluier opwindt en ontzeg
het potlood het doodgaan

de hond die opkijkt naar de verbazing
zijn licht dat blind op niets nieuws wacht

de boom waaruit langzaam
een slang valt, steeds langer
tot hij ophoudt –

Gerrit Kouwenaar

 

Ik weet het – er is van alles wat zich vanuit de actualiteit aan ons opdringt. Flirten met God (over spiritualiteit voor mensen die niks geloven). Zingeving als spel – Over religie, macht en speelse spiritualiteit (Een gids voor vrije zinzoekers). Zwarte dauw van Rachel Visscher. Dorsvloer vol confetti van Franca Treur. Echt, zo kunnen we nog wel even doorgaan. Er valt nog heel wat te bespreken. Ik laat het even voor wat het is.

Dit gedicht. Tuin. Roept een associatie op met het paradijs. Het slot, met de slang, bevestigt dat. Achter het oog gezeten. Alsof het een lens is van een fototoestel of camera. Een bewuste kijkdaad dus. Het oog is bepaald door alles wat al gebeurd is. Dat weten we wel, dat we niet nieuw kijken. Slechts zelden. De bliksem waarmee de wimper, in een oogwenk dus, het boek dichtslaat. Alles wat al gebeurd is, is als een boek. Met een oogknipper is het weg.

Hoor – een ander zintuig wordt aangesproken voor iets dat onzichtbaar is: de roodstaart die zich opwindt in de bruidssluier. Hij zit er, de dichter wéét het, maar hij is onzichtbaar. Je hoort hem alleen. Het boek is dicht. Wat valt er, achter het oog gezeten, nu te zien? De roodstaart die zich opwindt, stimuleert het oor. Onzichtbaar voor het oog.

… en ontzeg het potlood het doodgaan … het wapen van de dichter. Het potlood dat ons helpt te noteren wat zich aan het oog onttrekt, maar van levensbelang is. Dit moment dat niet blijft. Daarom mag het potlood niet doodgaan. Het moment is klein, vluchtig en o zo nietig, zo ontdaan van geschiedenis of betekenis. Het potlood, dat eigenlijk helemaal ‘dood’ is, kan ervoor zorgen, in de hand van de dichter, dat het moment blijft in woorden, tekens die betekenis hebben voor de goede verstaander.

De hond die opkijkt. Nu weer het kijken. Van de hond weliswaar. Je zou verwachten: naar de baas. Nee, naar de verbazing. De dichter speelt hier met woorden – nou, nee, zo frivool is hij niet. Hij belandt via het paradijselijke bijna in de fabel. De hond die opkijkt naar de verbazing , kijkt hij niet op naar de baas die zich verbaast? Het licht in de ogen van de hond wacht blind op niets nieuws. Honden verbazen zich niet, hoe hun ogen ook suggereren dat er van alles in hen omgaat. Zij wachten blind op niets nieuws. Zij wachten op wat ze kennen. Mensen verbazen zich. Of zit er ook in dat mensen zich, zoals honden, niet verbazen, maar enkel wachten op wat ze al kennen?

Zijn licht dat blind op niets nieuws wacht – het oor hoort iets van opwinding, maar het oog lijkt blind op niets nieuws te wachten.

De boom, onbeweeglijk middelpunt van het paradijs – levensboom, boom van kennis van goed en kwaad? – er zakt een slang uit. Het maakt het beeld unheimisch. Tot hij ophoudt. Slangen kunnen de indruk wekken dat er geen einde aan komt, maar dat is er wel. Ook aan deze eeuwige slang die volgens de bijbel de oorzaak van de menselijke val is. Adam en Eva leerden er anders door kijken naar de levensboom. Het heeft hun de paradijselijke staat gekost, de droomstaat, waarin zij alles van binnenuit, vanuit godzaligheid, konden bekijken. Nu staan ze in de werkelijkheid. Wellicht met de ogen van een hond die blind op niets nieuws wacht. Of met de verbazing over dat moment, buiten alles wat gebeurd is om, buiten het boek van wetenschap en traditie en van de voorgebakken ervaringen om. De verbazing die alle platgetreden paden en alle logica doorbreekt.

Je kunt vragen wat de dichter nou precies wil zeggen. Je kunt alleen maar antwoorden: kijk maar naar het gedicht – hij heeft het al gezegd. Wat hij wilde zeggen, heeft hij gedicht. Het gedicht is de verbazing in gecondenseerde vorm. De beelden vormen een jas die wij proberen aan te trekken. Het is moeilijk te zeggen of hij ons past. Misschien houden wij hem nog even voor ons en kijken in de spiegel. Onzeker, of hij ons wel past, of we hem wel aan willen.

Iets over geloof? Ja, graag. Maar, niet als voorgerecht of als dessert. Het gedicht is geen gesloten verhaal. Het bootje lekt aan alle kanten. Het lijkt wel een soort fossiele boot. Alleen de toeschouwer kan zich op basis van de fragmenten een voorstelling van de boot vormen. Er is veel geloof voor nodig. De dichter staat het zichzelf niet toe. De echo van het paradijs is wel een hele vage. Althans, van het bijbelse paradijs. De toespeling is duidelijk, maar de werkelijkheid is anders. Ze is ook echter. Zoals ook Rutger Kopland dicht over de grazige weiden die hij gezien heeft en die echter waren dan hem was beloofd. De roodstaart maakt het paradijs echt en ook vol belofte. En ook de hond is echt. Zijn licht mag dan op niets nieuws wachten, hij is echt en helemaal goed. De mens worstelt daarmee, om helemaal goed te zijn. Goed en kwaad, gekomen met de slang, zijn beperkt. De mens wacht op iets nieuws. Iets dat buiten dit gedicht ligt. Het verkondigt niets. Het beschrijft, met behulp van beelden die quasi aangespoeld lijken (vergis je niet in de hand van de dichter). Het maakt voelbaar dat er een lege plek is, de afwezigheid van het paradijs. Er valt niets te zien. Er is enkel de opgewonden ritseling  die kennelijk de verbazing wekt, de herinnering wekt van iets anders of het verlangen naar iets anders.