Raerder predikanten

Hieronder geven we een overzicht van de predikanten die in de hervormde (tegenwoordig protestantse) gemeenten van Raerd en Jirnsum (tot 1864) gestaan hebben. We baseren ons in eerste instantie op het overzicht in het tweede deel van de Naamlijst der predikanten, sedert de hervorming tot nu toe, in de Hervormde gemeenten van Friesland van Ds. T.A. Romein (Leeuwarden 1888). Het is de bedoeling in de loop van de tijd informatie over de betreffende predikanten toe te voegen.

ca. 1581-1584 Johannes Nicolai van Wassenaar

In de middeleeuwen was iedereen rooms-katholiek. De stichting van Raerder parochie heeft mogelijk al voor het jaar 1000 plaatsgevonden en de eerste kerk zal ook niet lang na het jaar 1000 gebouwd zijn. Vele pastoors, vicarissen en prebendarissen hebben de parochie gediend. Wijlen Otto Roemeling heeft daar bijna zijn hele leven onderzoek naar gedaan. Het heeft in 2013 geresulteerd in een lijvige dissertatie, Heiligen en Heren: studies over het parochiewezen in het Noorden van Nederland vóór 1600, met een bijlage waarin alle Friese parochies vermeld staan met hun pastoors etc. Op internet zijn deze lijsten te raadplegen: https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/access/item%3A2963618/view

In 1580 ging Friesland over tot het protestantisme en kreeg ook Raerd in combinatie met Jirnsum (hieronder spreken we verder alleen over Raerd) zijn eerste dominee. De eerste predikant die aan Raerd werd toegewezen, was ds. Johannes Nicolai à Wassenaar. Zijn naam is natuurlijk verlatiniseerd: Jan Claeszoon van Wassenaar. Hij werd rond 1540 geboren te Gouda en overleed in Dokkum omstreeks 1612. Als hervormingsgezinde exploiteert hij een particuliere school in Leiden en trouwt daar in 1567 met Neeltje Gerritsdochter Buytenweg. Twee jaar later sloeg hij met vrouw en kind op de vlucht voor de Inquisitie en week uit naar Emden, een plek waar meer protestanten hun toevlucht gezocht hadden. In de Laurentiuskerk ligt de zerk van Edo van Heringa, die er al in 1566 vandoor ging en in 1575 in Emden stierf tijdens een grote pestepidemie. 

In 1572 stelt het protestants geworden Enkhuizen hem aan als schoolmeester en twee jaar later wordt Johannes predikant in Wijdenes, gelegen tussen Hoorn en Enkhuizen. In 1578 krijgt hij een beroep naar Amsterdam, maar Wijdenes weigert om hem te laten gaan. Na heel veel gedoe wordt hij in 1580 in Amsterdam als predikant bevestigd. In mei 1580 is hij afgevaardigde naar de synode in Sneek en het is misschien toen geweest dat de eerste contacten met Friesland gelegd zijn. Er zijn bronnen die melden dat hij in 1580 is overleden, maar betrouwbaarder is het eerste classisboek van Sneek, waaruit we kunnen opmaken dat Johannes Nicolai aangesteld is als de eerste predikant van Raerd. In het classisboek staat namelijk vermeld dat Johannes Nicolai in 1583 in Raerd een probleem heeft, omdat hij de pastorie niet kan betrekken. Die wordt bewoond door de schoolmeester en die weigert het pand te verlaten. 

De uitgever van de tekst van het classisboek, J.J. Kalma, suggereert in een voetnoot dat het wel eens zou kunnen zijn dat het dorp ook niet veel zin in de dominee had. Misschien ging het bij de schoolmeester om een ex-priester met wie iedereen eigenlijk wel tevreden was. Het is ook maar de vraag hoe snel en soepel de Raerders tot het protestantisme overgingen. De kans bestaat dat het grootste deel van de dorpsbevolking daar helemaal niet voor voelde en gewoon rooms-katholiek bleef. Ze kunnen het idee hebben gehad dat de dominee hun door de classis door de strot geduwd werd.

In datzelfde jaar 1583 krijgt Johannes een beroep naar Dokkum, maar de classis is van mening dat hij beter in Raerd kan blijven. We zien hier een soortgelijke situatie als in Wijdenes versus Amsterdam: je kunt als predikant zelf wel willen verkassen maar zowel de classis van je huidige gemeente als die van je toekomstige moest daarmee instemmen, anders ging het feest niet door. In elk geval krijgt Johannes in 1584 ook geen toestemming om naar Hallum te vertrekken. Uit een latere aantekening blijkt echter dat hij in genoemd jaar wel degelijk naar Hallum is vertrokken.

In het Sneker classisboek wordt hij vervolgens nog eenmaal genoemd, namelijk in het verslag van 12 augustus 1600. Er speelt dan in Goënga een kwestie rond ‘verdwenen’ pastorie- en vicarieland. De kerkelijke bezittingen blijken veel minder dan in het verleden en niemand weet waar dat door komt. Men gaat informeren bij ds. Johannes Nijclaes, die op dat moment in Dokkum staat. Hij zou er meer van weten. Hoe de zaak afloopt, is niet bekend. Wel wordt duidelijk dat in 1602 de kwestie nog aanhangig gemaakt wordt bij de Staten van Friesland.

In één van de bronnen staat vermeld dat er een geschilderd portret van ds. Van Wassenaar zou bestaan, vervaardigd door een anonieme schilder. In het verleden hebben we daar op internet al eens naar gezocht, maar dat had geen resultaat. Nu, meer dan tien jaar later, is het internet enorm uitgebreid en wie nu de naam van de dominee intypt, komt terecht op de site van museum De Lakenhal in Leiden, waar zich het bedoelde portret bevindt. Het gaat om een portret uit 1647, dus het is pas na de dood van dominee Van Wassenaar geschilderd. Uiteraard moet de schilder een voorbeeld gehad hebben.

Bron: https://www.lakenhal.nl/en/collection/s-140

Links van het portret staat “[…] TUIS” en rechts staat “[…]RVELIUS Ao 1573 AETATIS SVAE 60”: de dominee was zestig jaar oud toen hij geschilderd werd. Op de achterkant is een etiket geplakt in 18de-eeuws schrift met “Dit is de afbeelding van de Johannes Nicolai a Wassenaar de 4e praedicant na de reformatie tot Leyden ao 1578 (…).” 

Aangezien jaartallen etc. niet geheel met de werkelijkheid overeenkomen (pas rond 1600 werd ds. Van Wassenaar 60 jaar), moeten we de genoemde biografische gegevens ook niet al te serieus nemen. We gaan er uiteraard wel van uit dat het onze eerste dominee is, die hier is geportretteerd.

Op 14 september 1585 keurt de classis de overkomst van ds. Johannes Henrici Coverdianus (Jan Hendriks van Coevorden) naar Raerd goed. Hij zal Van Wassenaar opvolgen. 

1585-na 1602 Johannes Henrici Coverdianus

De tweede predikant van Raerd–Jirnsum was ds. Johannes Henrici Coverdianus oftewel Jan Hendriks van Coevorden. Hij was als predikant in Steenwijkerwold begonnen. Raerd-Jirnsum was dus zijn tweede gemeente.

Hij was niet de eerste keus van de gemeente. Begin 1585 had men al een beroep op Andreas Oosterbekius uitgebracht, als predikant werkzaam in Dearsum. De classis besluit echter dat Andreas in Dearsum moet blijven “ten eijnde hy met stichtinge synen dienst aldair betreden moege”. Het lijkt er dus op dat Andreas op dat moment nog niet officieel in Dearsum aangesteld was.

Een maand later probeert met het opnieuw, nu met ds. Suffridus Pauli van Heeg. Maar in mei wordt duidelijk dat ook dat niet doorgaat. In de classisnotulen lezen we namelijk dat de gemeente van Raerd-Jirnsum in twee kampen verdeeld is als het gaat om het beroepen van een dominee. Het is dus niet verstandig om daar nu zomaar een nieuwe predikant naartoe te sturen. Met begeleiding van enkele predikanten uit de buurt moet men het in Raerd eerst eens worden en dan kan men eendrachtig een nieuwe predikant beroepen. Blijkbaar is het in september zover, want dan keurt de classis de overkomst van Johannes Hendrici naar Raerd goed. 

De Naamlijst der Predikanten van T.A. Romein vermeldt dat hij in 1587 uit naam van de classis Sneek bij de Heren Gedeputeerde Staten klaagt over de vijand. Op dit moment is niet duidelijk wat dit precies heeft ingehouden. We hopen daar nog wat meer duidelijkheid over te krijgen.

Begin 1588 blijkt Andreas Oosterbekius van Dearsum teruggekeerd te zijn naar Gelderland. Johannes Henrici doet daarop het voorstel aan de classis om Dearsum, Poppenwier, Sibrandabuorren en Tersoal er maar bij te nemen. Achtergrond van dit voorstel zal zijn geweest dat hij daardoor zijn inkomen flink had kunnen verhogen. Het feest gaat echter niet door. Dearsum krijgt weer een eigen predikant, die het jaar daarop echter al komt te overlijden. Vervolgens krijgt Johannes Henrici van de classis de opdracht om samen met een collega in gesprek te gaan met grietman Sierk van Bootsma. De weduwe van de Dearsumer predikant is met kleine kinderen onverzorgd achtergebleven en nu moeten de beide predikanten de grietman zover krijgen dat hij ervoor zorgt “dat sye an haer penningen mach comen”.

In 1591 blijkt dat Johannes nu zelf het initiatief genomen heeft om de vier bovengenoemde dorpen erbij te nemen. Hij heeft er ook traktement van genoten. De classis is het hier helemaal niet mee eens en Johannes wordt gedwongen schuld te bekennen voor zowel de classis als zijn kerkenraad. Bij het aanstaande avondmaal zal dit openlijk meegedeeld worden. Aan Johannes zelf wordt overgelaten hoeveel hij terugbetaalt van het onterecht ontvangen traktement. Johannes legt zich erbij neer: “Het vorscreven besluyt heeft Johannes aengenomen unde begeert sulcx na te comen”

Dat Johannes pogingen deed om zijn inkomen te verhogen, heeft er misschien mee te maken dat zijn financiële positie in Raerd ook niet echt stabiel was. In 1602 adviseert de classis hem namelijk om al het mogelijke in het werk te stellen om zekere landen die tot de pastorie van Raerd behoren – en waar hij zijn inkomen dus uit haalde – te behouden en ervoor te zorgen dat “zij in geene manieren vermindert oft veralieneert worden”. Blijkbaar hadden de kerkvoogden (gesteund door de grietman?) bepaalde plannen waarmee de classis het geheel oneens was. Men zegt Johannes in elk geval alle steun toe en biedt zelfs aan om inmiddels gedeclareerde proceskosten te vergoeden. 

Ca. 1603 wordt Johannes Henrici opgevolgd door Johannes Nierssen. Het is niet duidelijk of hij is overleden of vertrokken. De eerste optie lijkt de meest voor de hand liggende, maar hij kan natuurlijk ook gewoon teruggegaan zijn naar Drenthe. 

ca. 1603-1605 Johannes Nierssen/Niersenius

In de classisnotulen treffen we uit de periode waarin Nierssen in Raerd gestaan zou hebben, geen informatie aan. Bekend is dat hij vóór Raerd predikant in Zuidwolde (Drenthe) is geweest. Daar stond hij al in 1600. Het jaar daarop trouwde hij met Geertgien Janssen, een predikantsweduwe uit Franeker. In 1605 zal hij beroepen zijn door Loënga-Scharnegoutum. Opvallend is dat hij pas in 1608 voldoende “getuyigenissen” heeft kunnen overleggen om door de classis als lid aangenomen te worden. 

Een en ander roept wel wat vragen op. Was Nierssen als predikant van Raerd-Jirnsum al geen lid van de classis? En had hij toen zijn getuigschriften al niet moeten overhandigen? Waarom wordt hij in de notulen van de classis verder helemaal niet als predikant van Raerd genoemd? De vraag is of de bron, de Naamlijst der Predikanten van T.A. Romein, in dit geval wel helemaal betrouwbaar is. Aan de andere kant: Romein moet zijn informatie wel ergens vandaan hebben.

Pikant is een opmerking in de classisnotulen uit 1614, dus de periode dat Nierssen in Loënga-Scharnegoutum stond: “In die saecke Joannis Nyrzenij dienar tot Goutum is besloten, dat hy om zjn ergerlicke feijten bij hem ende zijn huijsvrow begaen voor die tijt van drie weecken van zijnen dienst ter plaetse aldaer gesuspendeert zal worden”. Nierssen wordt dus voor drie weken geschorst als predikant. De details kennen we niet, maar zeker is wel dat het om een uitzonderlijk hoge straf gaat. Het echtpaar zal ook openbaar schuld moeten belijden.

1606-1653 Johannes Meyer

In 1606 kregen Raerd en Jirnsum een nieuwe predikant die heel wat langer in de gemeente zou staan dan zijn voorganger. Maar liefst 47 jaar was hij er werkzaam, waarna hij met emeritaat ging. Het scheelde overigens niet veel of hij zou binnen korte tijd weer vertrokken zijn. Op 27 mei 1606 wordt hij als predikant van Raerd en Jirnsum als lid van de classis aangenomen, maar nog geen anderhalf jaar later ontvangt hij een beroep uit Scharnegoutum. Het lijkt erop dat dat de classis ook allemaal wat te snel ging. Uit de classisnotulen krijgen we de indruk dat de beroeping van Scharnegoutum niet helemaal volgens de regels verloopt en zolang dat niet hersteld is, moet Johannes maar in Raerd blijven. We horen er niets meer van, dus Scharnegoutum zal er verder wel van afgezien hebben.

In 1610 krijgt Johannes samen met zijn collega Gerlacus Habbonis van Dearsum opdracht om de schoolmeester van Poppenwier Sybrandus Johannes’ aan te spreken op het feit dat hij niet voor de classis is verschenen. Schoolmeesters werden namelijk verplicht om de drie protestantse Formulieren van Enigheid te ondertekenen (Heidelbergse Catechismus, Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels) en blijkbaar had de Poppenwierster schoolmeester daar niet veel zin in. De achtergrond van deze eis van de classis is de bestrijding van de ‘paepsche stoutigheden’, wat we kunnen vertalen als ‘rooms-katholieke brutaliteiten’. Verderop lezen we in de classisnotulen dat met name de schoolmeester van Poppenwier zich schuldig maakt aan het leren van ‘papistige boecken’. De classis doet er dus alles aan om rooms-katholieke invloeden en initiatieven de kop in te drukken en deze maatregel is daar een voorbeeld van. Uiteindelijk zet de schoolmeester (is het nog steeds Sybrandus Johannes’?) in 1622 zijn handtekening. Ook in 1622 wordt ds.Meijer naar grietman Pieter van Eysinga gestuurd om ervoor te zorgen dat er een eind komt aan het onregelmatige avondluiden in Poppenwier. Het deed de broeders van de classis te veel denken aan een oproep tot de vespers, de rooms-katholieke avonddienst.

In 1617 wordt Johannes samen met collega Gerlacus berispt, omdat ze te weinig aanwezig zijn op de classicale vergaderingen. Ze moeten zelfs een stuk ondertekenen om hun belofte kracht bij te zetten om in het vervolg trouwer de vergaderingen bij te wonen.

In 1631-32 speelt er een kwestie in Jirnsum rond ‘d’ opsegginge en vrij stellinge’ van de pastorielanden. Blijkbaar gebeurt hier iets rond de verhuring van pastorieland wat niet helemaal volgens de regels is, want er worden twee predikanten op afgestuurd om de zaak tactisch te regelen. Het lijkt er sterk op dat Johannes zeer tegen de zin van de classis de kant van de ‘huijsluiden’ van Jirnsum heeft gekozen en daarmee is ingegaan tegen het standpunt van de classis. In elk geval wordt hij eind 1632 gedagvaard door de classis, omdat hij zich ‘partitich in de saecke van Eernsum’ heeft opgesteld. Hij zal schuld moeten belijden en moeten beloven ‘voortaen de goede saecke te helpen bevorderen’. Johannes brengt daartegenin dat de classis hem niet ‘broederlijck en christelijck’ heeft behandeld, dat hij niet van plan is om zich stil te houden en evenmin ‘de goede saecke te bevorderen’. Daarop komt de classis met zwaarder geschut: of Johannes komt met een schuldbelijdenis of hij wordt geschorst als lid van de classis. Op 6 november kiest Johannes eieren voor zijn geld: hij belijdt schuld en belooft in de toekomst zich in te zetten voor de goede zaak.

Aan het eind van zijn loopbaan, in 1652, verzet Johannes zich nog tegen de bevestiging van twee broeders, Johan Wolters tot ouderling en Reijner Ruierds tot diaken. Met name Johan Wolters heeft zich niet echt fatsoenlijk tegenover de dominee gedragen. In de classisnotulen wordt vervolgens de letterlijke tekst van een schuldbelijdenis van Johan Wolters opgenomen, maar de zaak escaleert alsnog als grietman Pieter van Eysinga zich ermee gaat bemoeien. Die verhindert ‘de publijcke Godtsdienst’, waardoor de predikanten die zijn afgevaardigd om de zaak op te lossen, hun werk niet kunnen doen. Hij lijkt er dus op dat Van Eysinga de kerk op slot gedraaid heeft. Ter verantwoording geroepen in de classisvergadering verklaart Van Eysinga dat hij alleen maar uitstel gevraagd heeft en meer niet. Als men hem toch wil aanzetten tot een schuldbelijdenis, is de grietman daarop ‘uijt de vergaederinge gescheijden, sonder Jae ofte Neen te seggen’

Het is het begin van het einde. De kwestie met de grietman sleept zich nog even voort en op 16 november 1652 verschijnt er een afvaardiging uit Raerd in de classisvergadering om de problemen te bespreken ‘aengaende de predicatie van Joh. Meyerus ende tgetal sijner toehoorders’. Zijn schoonzoon ds. Ambrosius Lauswolt krijgt nog wel toestemming om zijn schoonvader te verdedigen, maar dat levert weinig meer op. Op 30 november besluit de classis dat het maar het beste is als Johannes met emeritaat gaat. Met Gedeputeerde Staten zal overlegd worden over zijn toelage. Bovendien krijgt hij positieve referenties (‘attestatie’) mee. 

Johannes overlijdt in of voor 1660: in een aantekening van 5 juni van dat jaar wordt gesproken over ‘wijlen Johanne Meiero’

Ten slotte: achterin het classisboek is een lijstje opgenomen met namen van predikantsweduwen, waarschijnlijk in verband met een toelage. De rij wordt geopend door ‘de weduwe van Johannes Meierus Trintie Abbema tot Rauwert’. Daaruit kunnen we nog twee zaken opmaken. In de eerste plaats komen we op de valreep nog te weten dat Johannes’ echtgenote Tryntsje Abbema heette. Bovendien kunnen we ervan uitgaan dat Johannes Meijer tot zijn dood in Raerd is blijven wonen.

Handschrift van ds. Meijer in het notulenboek van de classis Sneek. Predikanten waren bij toerbeurt voorzitter (‘praeside/praeses’) en secretaris (‘scriba’). Het is een fragment uit de notulen van 3 augustus 1624. De classis vergaderde doorgaans op de eerste dinsdag van de maand, met uitzondering van de wintermaanden. Praeses van deze vergadering was ds. Wilco Hermanni van Lemmer.

1653-1673(?) Albertus Hessels Rheen

Na het emeritaat van ds. Johannes Meyer werd hij opgevolgd door Albertus Hessels Rheen. Rheen stamde uit een theologengeslacht. Van zijn vader Hessel weten we dat hij in elk geval van 1605 tot 1611 als predikant in Midlum stond en daar waarschijnlijk zijn vader Albertus was opgevolgd. Die was rond 1560 als priester in het dorp begonnen en werd na zijn overgang naar de Reformatie daar ook predikant.  

Zijn kleinzoon Albertus werd in 1629 in Franeker als student letteren en wijsbegeerte ingeschreven. Uniek is een kwitantie uit 1630 van de hand van Hugo Petri, ‘inspector bursae’ te Franeker, waarin deze vermeldt ‘costpenningen’ te hebben ontvangen van de grietman van Aengwirden Anne van Wyckel voor zijn zoon Hans en voor Albertus Rheen, ‘sijn pedagoge’. De student Albertus was dus blijkbaar een soort mentor voor de leerling Hans. Vermoedelijk zat die nog op de Latijnse school: hij was geboren in 1617 en werd in 1633 aan de universiteit van Franeker ingeschreven. Een inspector bursae verleende onderdak en kost aan wat wij nu beursstudenten zouden noemen.

In 1636 stond Albertus Rheen als kandidaat in Wijnaldum. Zijn naam werd op de nieuwe luidklok uit dat jaar vermeld. In 1644 verruilt hij Wijnaldum voor IJlst, waar hij in een ongemakkelijke situatie terechtkomt. De gemeente is daar namelijk in twee partijen verdeeld, die elk een eigen beroep uitbrengen. De ene groep haalt ds. Bernardus Leuconius Sylvius van Lutkewierum binnen, de andere beroept Albertus Hessels Reen van Wijnaldum. Rheen vestigt zich in IJlst en dat terwijl er formeel niets geregeld is: hij had geen toestemming om uit Wijnaldum te vertrekken en evenmin voor zijn overkomst naar IJlst. De provinciale synode is hiervan niet zo gecharmeerd en besluit dat er een nieuwe predikant beroepen moet worden. Tot Rheen zelf een nieuw beroep heeft ontvangen, wordt hem jaarlijks een tijdelijke vergoeding van honderd rijksdaalders toegekend. In 1646 vertrekt hij naar Warns.  

In 1653 verruilt hij deze plaats voor Raerd. Het Fries Museum heeft van de stichting De krobbe der út uit Marssum een avondmaalsbeker in bruikleen uit datzelfde jaar, vervaardigd door de Leeuwarder zilversmid Jan Melchers Oostervelt. Deze beker draagt als opschrift Tobyas Capittel 6. Vers 3.4.v. Hij bevat de initialen A.R. en G.I. Deze verwijzen mogelijk naar ds. Albertus Rheen en zijn echtgenote Gerrytje Isaacs Cnoop. Op 6 december 1635 waren ze getrouwd. Het is niet duidelijk ter gelegenheid waarvan of voor wie de avondmaalsbeker gemaakt is. Hij heeft een inhoud van een liter. 

Bron: website collectie Fries Museum

Rheen lijkt ca. 1673 met emeritaat te zijn gegaan. In hetzelfde jaar voltrekt zich op 13 mei een dramatische gebeurtenis. Zijn zoon Johannes staat dan al een jaar of vier als kandidaat in Boazum.  Diens broer Isaäk, ook kandidaat, is bij hem op bezoek. Beide mannen worden door boer (‘huisman’) Sikke Tania een avond uitgenodigd en de volgende ochtend worden beide broers dood in bed aangetroffen.

Hun vader Albertus verdenkt Tania ervan dat hij de beide mannen vergiftigd heeft en laat voor hun graf in de kerk van Boazum een zerk houwen met een voor Tania zeer hatelijke tekst. Die wendt zich daarop tot het Hof van Friesland en dat geeft Tania gelijk: de tekst moet weggekapt worden. Halverwege de achttiende eeuw lag deze onleesbaar gemaakte zerk nog in de kerk van Boazum.

We dateren Rheen’s emeritaat in 1673, omdat we in het rekeningboek van de kerkvoogdij lezen dat in januari 1674 vier mannen worden betaald ‘wegens ’t versetten van de olde predicant Albertus Rheen’. ‘olde’ lijkt erop de wijzen dat hij niet meer in functie was en ‘versetten’ zijn we geneigd op te vatten als verhuizen. Was het de dood van zijn zoons, die hem het verder onmogelijk maakte zijn ambt uit te oefenen? In 1676 volgt ds. Nicolaus Alma hem op. Ds. Albertus Rheen overleed in 1676 te Raerd, waar hij in de kerk werd begraven. In een post van 25 april 1676 is sprake van ‘wijlen de predikant ds. Albertus Rheen’. Zijn schoonzoon ontvangt dan nog een vergoeding voor verbeteringen (‘melioratie’) die zijn schoonvader in de pastoriehof heeft laten uitvoeren als ook voor door ds. Rheen aangeschafte goederen voor de pastorie.

Voor het feit dat Albertus Rheen in de kerk is begraven, vinden we eveneens het bewijs in het rekeningboek. 30 september 1674 koopt grietenijsecretaris Johannes Rodenhuis namelijk voor 25 gulden een paar graven in de kerk. Vier jaar later krijgt hij echter zijn geld terug. De reden wordt erbij genoemd: de door hem aangekochte graven onder het orgel zijn teruggekocht ‘omme van nu voortaen de selve tot een pastorije begraffplaets te worden gebruickt waarin oock de predicant Albertus Rheen zaliger rede begraven is’. De plaats wordt nog nader gespecificeerd: dit pastoriegraf ligt aan het hoofdeinde van de nieuwe graven die Rodenhuis inmiddels van particulieren heeft overgenomen. Rheen is dus ergens onder het orgel begraven, aan het hoofdeinde van twee Rodenhuis-zerken. Deze beide grafstenen werden bij de restauratie 2009-2012 in stukken onder de vloer aangetroffen en zijn gerestaureerd. Ze liggen ongeveer op de plek waar ze oorspronkelijk ook gelegen moeten hebben. Van Rheen is geen zerk in de kerk aanwezig.

De handtekening van ds. Rheen in het rekeningboek van de kerkvoogdij. ‘Eccl:’ is de afkorting van Ecclesiasticus (prediker). Erachter staat de plaatsnaam Rauwerdt.
De naam Sijbren Claessen die eronder staat, is die van Sijbren Claessen Heeringa. Zijn grafzerk, in een ver verleden beland op het erf van een boerderij aan de Slotsdyk, ligt nu ook in de kerk. Heeringa was bijzitter, in welke hoedanigheid hij de grietman bijstond in de rechtspraak, en boer op Flansum. Hij overleed in 1671. 

1676-1683 Nicolaus Alma

Op schrikkeldag 1676 verschijnen afgevaardigden van Raerd en Jirnsum in de classisvergadering “in leverende een beroep op D. Nicolaum Alma, S.S. Theologiae candidatum”. De classis gaat akkoord en Boëtius van Sibrandabuorren en Althusius van Dearsum zullen hem bevestigen. Tegelijk vragen de Jirnsumers om meer kerkdiensten: in plaats van elke vier weken willen ze om de drie weken graag een dienst. De classis gaat akkoord en Alma krijgt de opdracht om het zo in te gaan invullen. Het beroep op Alma zat blijkbaar al enige tijd in de pen, want lijkt geen toeval dat zes dagen later, op 5 maart, Nicolaus Alma te Midlum trouwt met Catharina Singels. 4 april treedt hij toe tot de classis. Het echtpaar krijgt er in elk geval twee zoons: in 1677 wordt Petrus, in 1678 Melchior. Ze worden in de kerk van Raerd gedoopt.

Sierlijke handtekening van ds. Alma in het rekeningboek van de kerkvoogdij, 30 mei 1678.

Al vrij snel na Alma’s aantreden in Raerd is er een probleem: grietman Barthold van Nijsten heeft zich niet akkoord verklaard met de toename van de frequentie van de diensten in Jirnsum. Er moet dus maar eens met hem gepraat worden. Het gesprek komt er en Van Nijsten maakt duidelijk dat hij alleen serieus wil nadenken over een verzoek van de Jirnsumers zelf. Hij heeft blijkbaar geen zin om kritiekloos de instructie van de classis op te volgen. In juni wordt besloten om opnieuw afgevaardigden naar de grietman te sturen die moeten gaan proberen hem te vermurwen zodat hij de wens van Jirnsum alsnog honoreert. De afloop kennen we niet: in de classisnotulen wordt er niet meer over gesproken.

Er zijn meer zaken waar Alma tegenaan loopt. In 1677 is er iemand in Jirnsum die heel graag tot het avondmaal toegelaten zou worden, ondanks het feit dat hij “op het Turks besneden” is. De classis adviseert hem er voorzichtig mee om te gaan. De betreffende persoon zal moeten laten zien dat hij zich bewust is van “sijn grote sonde” en zich “bijsonder vlijtigh” moeten betonen in het horen van Gods woord. Samen et een collega moet Alma het gesprek met de bekeerling aangaan om hem “sijn grouwelijke sonde voor ogen te stellen”. Daarna moet de classis zich er nog maar eens over buigen. Vijf jaar later(!) komt de classis erop terug. Met Boëtius van Sibrandabuorren en Althusius van Dearsum moet Alma het er maar eens over hebben op welke voorwaarde de op zijn Turks besnedene toegelaten zou kunnen worden. De afloop is niet bekend.

In 1683 vraagt Alma de classis opnieuw om advies. Nu betreft het een vrouw die lid van de kerk was, “maar nu zich van de Kerke afgescheijden & zich tot ’t pausdom begeven heeft”. Met twee collega’s, Althusius van Dearsum en Gellides van Boazum, moet hij maar proberen om de vrouw “te bewegen zich wederom tot de Schoot van de waare Kerke te vervoegen”. De actie blijkt geen succes te hebben: de vrouw volhardt in haar besluit. De classis draagt Alma op toch nog maar even vol te houden in zijn pogingen de vrouw op andere gedachten te brengen.

Op 4 september verschijnen enige afgevaardigden van Easterlittens in de classisvergadering om een beroepbrief te overhandigen, waarin zij vragen ds. Nicolaus Alma naar hun gemeente over te komen. De classis gaat akkoord en Alma vertrekt. Een maand later beroept Raerd-Jirnsum ds. Andreas Schuiringa van Koarnjum.

Nicolaus Alma staat 18 jaar in Easterlittens. Na het overlijden van zijn echtgenote hertrouwt hij in 1696 met Margarita de Vries uit Sexbierum. In 1701 neemt hij een beroep naar Bolsward aan. Op 26 mei 1727 komt hij daar te overlijden. Zijn kleine grafzerk ligt rechts in het koor van de Martinikerk. De tekst ervan luidt: Anno 1727 den 26 May is in den Heere ontslapen den Eerwaarden Godsaligen en Welgeleerden heer Do. Nicolaus Alma  in leeven Bediener des H. Evangeliums te Bolswardt oud 78 Iaaren en leidt alhier begraven
Onderzoeker Gerard Mast trof in de boedelinventaris van Alma een uitzonderlijk grote hoeveelheid zilver aan.

1683-1685 Andreas Schuiringa

Bij de restauratie van de Laurentiuskerk in 2009-2012 werd aan de noordkant in een hoekje van de toren een kleine grafsteen teruggevonden. Hij bleek toe te behoren aan ds. Andreas Schuiringa. De tekst luidde als volgt:
Ao 1685 den 28 october is in den Heere gerust
de Eerwaarde Godsalige en welgeleerde
D: Andreas Schuringa in leven
geweest Bedienaar des Goddelicken Woords
eerst op de Heerlijkheid Amelant 1 Iaer en
7 Maenden daerna tot Finckum en Hyum
3 Iaer en 10 Maenden tot Cornjum 7 Iaer en
8 Maenden en Eindelijck tot Rauwert en
Irnsum 2 Iaer oldt 42 Iaer en 7 Maenden
en leit hier nae den Lichame begraven op hoop
van een salige opstandinge ten Oordeel
Iae Koomt Heere Iesu. apoc 22 v 20
De steen moet ooit uit de kerk gehaald zijn en in de toren zijn hergebruikt als bestrating. Nu is hij teruggelegd in het koor. 

Andreas kwam uit een predikantengeslacht. Hij was de zoon van de dominee Arnoldus Schuiringa en Ifke Geerts Hessels. Ook zijn grootvader was predikant. 
Op 12 januari 1661 stond Andreas ingeschreven als student filosofie en letteren aan de universiteit van Franeker (‘Andreas Schuiringa Frisius’). Ruim tien jaar later, op 19 november 1671, trouwde hij met de 25-jarige Jancke Crans, tien jaar jonger dan hij. Ze kregen drie kinderen: Arnoldus (*1675), Dirck (*1676) en Rinske (*1682).
Andreas Schuiringa begon zijn predikantschap in 1670 als kandidaat op Ameland. 

In 1670 werd hij beroepen te Finkum, waar hij op 18 maart 1672 geapprobeerd werd. Dat laatste hield in dat hem door de classis goedkeuring werd verleend. Hij werd bevestigd door ds. Smitzius uit Hallum en ds. Raerdt uit Stiens.
Na Finkum nam hij een beroep aan naar Cornjum. Op 13 februari 1676 hield hij zijn afscheidspreek en aan het eind van die maand werd hij in Cornjum bevestigd. Hij stond hier 7 jaar: op 8 oktober 1683 werd hij gedimitteerd na een beroep uit Raerd. Hij volgde daar dominee Nicolaus Alma op, die naar Easterlittens was vertrokken. 

In het rekeningboek van de kerkvoogdij komen we een paar aardige posten tegen in verband met de komst van de dominee. November 1683 ontvangen twee vrouwen 4 gulden, 10 stuivers en 8 penningen wegens het ‘hemelen’ van de pastorie. Ze schaffen er “besemen, schrobben, dweilen, vleugels en kalck” voor aan. En ‘praemschuiver’ Hessel Sijtses krijgt 5 gulden, 2 stuivers en 8 penningen betaald “ter sake vracht van de goederen van Dnus. Andreas Schuiringa van Cornjum te halen”. Ten slotte is er nog een post van 111 gulden en 16 stuivers. Men is dat geld kwijt aan de classis Leeuwarden vanwege het feit dat men Schuiringa laat gaan (dimitteert), en aan de classis Sneek in verband met de approbatie (goedkeuring) van het beroep dat op hem is gedaan. 

Schuiringa had bij zijn vertrek naar Raerd een opmerkelijk verzoek aan zijn classis te Leeuwarden. Hij vroeg namelijk om toestemming om de classicale vergaderingen van Leeuwarden te mogen blijven bijwonen, terwijl hij eigenlijk onder Sneek kwam te vallen. Reden was dat Raerd toch midden tussen deze twee plaatsen lag. Leeuwarden ging akkoord, Sneek echter niet. Op 8 april 1684 werd hij alsnog lid van de classis aldaar.

Ruim 2 jaar stond Schuiringa in Raerd. Hij overleed er op 28 oktober 1685 en werd dus in de kerk begraven. Hoewel de dominee bij zijn overlijden 49 jaar was, had hij nog jonge kinderen: de oudste was een jaar of tien, de jongste drie. Het is dan ook zeer begrijpelijk dat Schuiringa’s weduwe ds. Althusius van Dearsum vraagt haar belangen in de classis te behartigen: in het voorjaar van 1686 pleit hij er in haar naam voor dat ze tot februari van het jaar daarop (‘Lichtmis’) doorbetaald zal worden. De classis gaat akkoord als grietman Van Nijsten er ook mee instemt.

1687-voor 1695 Theodorus Grotius

Opnieuw moet er met de classes van Leeuwarden en Sneek afgerekend worden, als in 1687 ds. Theodorus Grotius Reduzum inruilt voor Raerd. En natuurlijk moet ook deze dominee naar Raerd verhuisd worden. Maar voordat hij echt aan het werk gaat, zijn er allerlei ontwikkelingen gaande waar de classis niet blij mee is.

Tijdens de vergadering van januari 1687 vindt men dat de vacante periode in Raerd-Jirnsum wel lang genoeg geduurd heeft. Grietman Barthold van Nijsten zal schriftelijk benaderd worden met het verzoek de vacature bekend te maken, “opdat de selve met een goed, eerlijck, geleerd & godzaaligh dienaar magh versien worden”. Een maand later blijkt Theodorus Grotius van Reduzum beroepen te zijn. Naar Reduzum had hij in 1685 een beroep aangenomen, naar het schijnt terwijl hij op het punt stond naar Indië te vertrekken. De classis is wel genegen om hem naar Raerd te laten verhuizen, ware het niet dat er een complicerende factor is. In Raerd is namelijk zonder toestemming een kandidaat aan het werk – later komen we te weten dat hij Sinnama heet – , iets wat geheel in strijd is met “de synodale & onse classicale resolutien”. Men besluit de Raerder kerkenraad op het matje te roepen. Dat gebeurt op 1 maart 1687. Inmiddels is men erachter gekomen, dat er met deze kandidaat ook “een contract pecunieel soude gemaeckt zijn”. Men heeft dus financiële afspraken met hem gemaakt. Een classisafvaardiging die naar Raerd gaat om daar uitleg te vragen, wordt daar afgescheept met een smoes: op het verwijt dat men niet eerder de classis benaderd heeft in verband met het beroep van ds. Grotius, geven de Raerders als antwoord dat ze daartoe wel bereid waren, maar dat de classis daarvoor in een niet-reguliere vergadering bij elkaar moet komen. Dat brengt extra kosten met zich mee, die voor rekening van Raerd komen. En daarvoor ontbreken in Raerd de financiële middelen.

Men trapt er niet in en de Raerders worden gesommeerd om over twee weken het beroep in te dienen. Dat doen ze echter niet: om kosten te besparen wachten ze liever tot de reguliere (‘ordinaire’) vergadering. Dat gebeurt dan op 3 april. Maar er moet wel voor betaald worden: zo lang dat niet gebeurt, houdt de classis de approbatie achter.

In mei blijkt dat ds. Grotius zelf ook niet helemaal zuiver gehandeld heeft. Hij heeft het namelijk met de kandidaat op een akkoord gegooid, alsof hij de edele heer Van Eysinga zelf was. Hij schijnt ook achter de financiële vergoeding te zitten, die de kandidaat krijgt. De classisSneek stuurt nu enkele leden naar de classis Leeuwarden gestuurd om daar “kennisse te geven van de enormiteiten bij D. Grotius gepleegt ontrent het beroep van Rauwert”. Leeuwarden toont echter weinig begrip – men maakt geen probleem van de handelwijze van Grotius – en daarover is men in Sneek zeer ontstemd. Men schijnt zich in Leeuwarden “een kleijnagting te hebben voor de Classis Snecana en sig een meesterschap over de selve heeft soeken aen te matigen”. De praeses heeft de Sneker afgevaardigden zelfs “een soorte van scherpe bestrafting” naar het hoofd geslingerd. Uit getuigenissen blijkt echter wel degelijk dat de gang van zaken allerminst deugt en dat ds. Grotius beter had moeten weten. Er rest de classis Sneek niets anders dan dat de kwestie aan de eerstvolgende synode te Harlingen wordt voorgelegd. Ook de classis Franeker zal op de hoogte gebracht worden, want daaronder ressorteert kandidaat Sinnama.

5 juli wordt de zaak afgesloten: Grotius verzoekt als lid tot de classis te mogen toetreden. De classis wil daarmee wel instemmen, mits Grotius de classis genoegdoening geeft voor de onwettige financiële regeling en de dienst “die bij de broederen van sijne beroeping tot de dimissie waargenomen is”. Grotius sputtert nog tegen en “verklaart sigh beswaart te sijn op soodanigen conditie en wijse geadmitteert te worden”. Maar de vergadering houdt voet bij stuk: dat zijn de voorwaarden en daarmee dient hij in te stemmen. Grotius kan niet anders dan zich erbij neerleggen.  

In 1695 wordt Theodorus Grotius door Gedeputeerde Staten tot veldprediker (aalmoezenier) benoemd. Dat betekent dat men voor Raerd en Jirnsum op zoek moet naar een opvolger. Lang heeft Theodorus Grotius niet het leger gediend: 7 januari 1696 blijkt hij te zijn overleden. In het najaar van dat jaar verzoekt zijn weduwe via een van de leden aan de classis om haar tot mei 1697 door te betalen. Grietman Edzard van Burmania heeft al aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben en de classis gaat daar graag in mee. 

Een maand voordat deze termijn verstreken is, in april 1697, brengen Raerd en Jirnsum een beroep uit op ds. Petrus Antonides van Aalsum.

1697-1738 Petrus Antonides

1736-1773 Theodorus Mentes

1775-1824 Fokko Liefsting

Op 17 oktober 1819 vierde ds. Fokko Liefsting zijn vijftigjarig jubileum als predikant. Ter gelegenheid van dat feit preekte hij in Raerd over psalm 71, vers 18: Daarom ook terwijl de ouderdom en de grijzigheid daar is, verlaat mij niet o God! tot dat ik dit geslachte verkondige uwe arm, en alle nakomelingen uwe macht.
Deze preek heeft hij in eigen beheer laten drukken in Sneek. Onder Google Books staat het verhaal inmiddels op internet. Voor ons reden om de tekst eens door te lezen en te proberen er een aantal ‘nijsgjirrige’ zaken uit te halen. Liefsting geeft behalve een uitleg van de bijbeltekst ook een persoonlijk verhaal, waarin enkele biografische gegevens te revue passeren.

Op het moment dat hij de preek houdt, is de dominee 72 jaar. Op 30 januari 1824 zal hij op 76-jarige leeftijd overlijden “in het 55ste jaar zijner ambtsbediening” (LC). Hij is waarschijnlijk de laatste die in de Laurentiuskerk begraven wordt. Zijn neoclassicistische grafsteen werd bij de restauratie in stukken teruggevonden en weer in elkaar gelijmd. Hij ligt op de grens van het koor en is herkenbaar aan het ovale tekstvlak en de gebeeldhouwde strik. Het is niet de plek waar de dominee oorspronkelijk begraven lag: op bewaard gebleven foto’s uit 1909 is niet te zien waar de grafsteen zich precies bevond.

In het vervolg zullen we een aantal citaten uit de preek geven, waar we kort op in zullen gaan. Afgezien van deze passages is een terugkerend thema de constatering dat de samenstelling van de gemeente sinds Liefstings aantreden geheel veranderd is: de oude generatie is vrijwel uitgestorven. Zijn gehoor heeft zich in de 45 jaren dat hij in Rauwerd staat, geheel vernieuwd. Dat onderwerp brengt hij in verband met de tekst die hij voor zijn jubileumpreek heeft uitgekozen. 

De eerste passage die we citeren, laat zien dat de mens twee eeuwen geleden vooral in zijn kindertijd veel gezondheidsrisico’s liep. Was hij die periode eenmaal gepasseerd, dan was de kans op overleven een stuk groter:
Wanneer wij ons een geslacht verbeelden van menschen, die omtrent denzelfden tijd hunne intrede in de wereld deden, dan zien wij, dat in de eerste jaren van deszelfs aanwezen dat getal aanmerkelijk wordt verminderd, door het sterven van zoo vele kinderen, die het onderscheid tusschen goed en kwaad, zelfs tusschen hunne regter en slinkehand nog niet kenden. Gedurende eenige jaren, op die der kindschheid volgende, blijven zij, die tot dat geslagt behooren, meer bij elkander, terwijl er nu en dan, hier en daar een van hetzelve wordt weggenomen. Zij, die overgebleven zijn, bereiken welhaast jaren, waarin het sterven menigvuldiger wordt.
Liefsting sprak ook uit eigen ervaring: verderop in de preek vertelt hij hoe hij vier van zijn vijf kinderen (onder wie zijn zoon Willem in 1798, bijna 20 jaar oud) en inmiddels ook zijn vrouw in Rauwerd heeft moeten begraven. De enige zoon die heeft overleefd, woont zover weg dat hij zijn oude vader op geen enkele wijze kan bijstaan. Hij heet Johannes en staat vanaf 1807 tot zijn dood in 1858 als predikant in Hellendoorn. Hij wordt ook op de grafsteen van zijn vader genoemd.

Zelf was Fokko Liefsting 22 jaar toen hij als dominee begon in Siddeburen. Na twee jaar verruilde hij die plaats voor Loppersum. Ook daar bleef ik niet langer, dan drie jaren, wanneer de hooge Voorzienigheid mij bragt aan deze plaats, welker naam ik naauwlijks had hooren noemen, daar ik niemand kende en even onbekend bij allen was. Het is nu vijf- en veertig jaren geleden, dat Mevrouw Douariere van Eijsinga, die mij in persoon geheel niet kende, op het getuigenis, hetwelk mijne, mij genegene, vrienden van mij gaven, op de edelmoedigste wijze, mij met deze beroeping vereerde.
Hier lijkt sprake te zijn van het zogenaamde collatierecht, dat mevrouw Van Eijsinga bezat: het recht om de predikant te kiezen. Pas in 1922 werd dit recht officieel afgeschaft. ‘Mevrouw Douariere van Eijsinga’ kunnen we identificeren als Cecilia van Sminia, van wie een rouwbord en de grafzerk nog in de kerk aanwezig zijn en wiens echtgenoot in 1768 was overleden.

Over de voorbije 45 jaren schrijft Liefsting: Voor onaangenaamheden van merkelijk belang wierd ik altijd bewaard. Gelijk ik zelf den vrede beminde en zogte, zoo mogt ik doorgaans, rustig in het mijne verkeeren. Zelfs in die beroerde dagen, welke wij hier beleefden, wanneer elkanderen te plagen en te vervolgen zoo gemeen was, heeft men mij met de mijne geheel ongemoeid gelaten, zelfs met onderscheiding behandeld.
Zeer waarschijnlijk doelt Liefsting hier op de Franse Tijd, waarin de grietman afgezet werd en de patriotten de macht overnamen. In Raerd kwam zo Jentje Willems Heeringa aan het bewind. Hij schijnt zoveel weerstand opgeroepen te hebben, dat de bevolking maar wat graag grietman Van Eysinga in zijn ambt hersteld zag. Dat gebeurde dan ook na de Franse Tijd. Direct na de geciteerde passage prijst Liefsting uitgebreid de familie Van Eysinga vanwege hun ‘gunst en vriendelijke toegenegenheid’. Als we bedenken dat de Van Eysinga’s Liefsting naar Rauwerd haalden, is het heel begrijpelijk dat hij een lofrede van meer dan een halve pagina in de preek opneemt.

Met zijn eigen gezondheid ging het niet altijd naar wens: Twee malen wierd ik door zware ziekte aan mijne legerstede gebonden en buiten staat gesteld, om den predikdienst waartenemen. Eens trof mij een treurig en gevaarlijk ongeluk en noodzaakte mij verscheidene weken, mijne naburen lastig te vallen, om hier mijne plaats te vervullen: terwijl ik eenen geruimen tijd aan zenuwziekte en daaraan verbondene zwakgeestigheid, in zulk eene mate, onderhevig was, dat ik niet zelden allen moed en lust verloor.
Wat voor ongeluk Liefsting overkwam, is niet bekend. De tweede opmerking lijkt op een depressie te wijzen.

In het laatste deel van zijn preek hamert Liefsting erop dat hij altijd de juiste leer gepredikt heeft. Ongetwijfeld heeft dit ermee te maken, dat hij nog wel een kritiek kreeg dat dat niet het geval was. Om die reden publiceert hij ook een aantal verhandelingen anoniem. Wanneer we echter kennisnemen van zijn opvattingen, zijn die voor ons weinig schokkend. Hij verkondigt een leer, die we in onze tijd zeker niet als ‘vrijzinnig’ zouden bestempelen. Maar blijkbaar dacht men daar aan het begin van de 19e eeuw anders over. 
Zijn opvattingen legde Liefsting ook vast in een aantal niet-anonieme voordrachten, die hij opstuurde naar het ‘Haagsch Genootschap tot verdediging van den Chr. Godsdienst’ en waarmee hij prijzen won: ten minste driemaal wordt voor zijn verhandelingen een zilveren medaille toegekend. Ook deze teksten zijn op internet terug te vinden.

De preek eindigt met een dringende maar tegelijk ook wel heel confronterende oproep aan de jongere gemeenteleden. Niemand weet wanneer hij zal sterven: 
Neem dan uwen welaangenamen tijd waar, op dat gij dan, wanneer de mate uwer dagen vroeger is vervuld, U het verzuim daarvan niet behoeft te beklagen, maar uwe ontbinding kunt verwachten in dat blijd vooruitzicht, dat gij de wereld verlatende, zalige vruchten van uwe keuze en wandelingen zult genieten. Amen.

De neoclassicistische zerk van ds. Liefsting in de Laurentiuskerk van Raerd

1824-1876 Rinze Kijlstra (laatste predikant van de combinatie Raerd-Jirnsum)

Raerd

1876-1890 Jan Wolter Lieftinck

1890-1895 Willem Adriaan van der Scheer

1896-1926 Tjalling Siebrandus van der Leij 

1926-1934 Johan Herman Oterdoom

1936-1939 Gottlieb Wilhelm Bonno Anton Thoden van Velzen

1940-1945 Gerrit Daniël Boerlage

1947-1950 Klaas Mulder

1950-1956 Jan Hendrik Bokhove

1956-1966 Hayo Edo Vermeulen

1977-1981 Dammis Vroegindeweij

Jirnsum

1864-1869 Willem Frederik Karel Klinkenberg

1869-1899 Herman Johannes Dingemans

1899-1935 Frans de Boer

1938-1941 Henri Jean Ernst Caron (in combinatie met Dearsum-Poppenwier)

1941-1944 Anthonie Verstraaten

vanaf 1946 alleen waarnemers

Combinatie met Mantgum, Húns-Leons, Dearsum en Jirnsum

1964-1986 Gerrit Rinse Brink

1986-2002 Jan Klinkhamer

2003-2016 Gerard Knol

Combinatie met Reduzum-Idaerd c.a.

2018-heden Liesbet Geijlvoet